.
.
.
Er bestond eigenlijk al een soort van dierenpolitie voordat de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) werd opgericht in 1986. Omdat de overheid niet toekwam aan het handhaven van de Nederlandse dierenwelzijnswetten, werkte de Dierenbescherming samen met ambtenaren van het Korps Rijkspolitie. Zij gingen vrijwillig voor de Dierenbescherming op pad om overtredingen van het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de dierenbescherming op te sporen.

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) had er in principe geen bezwaar tegen dat een particuliere organisatie deze overheidstaak waarnam, maar vond wel dat het werk onafhankelijk en professioneel moest gebeuren. Daarom werd de inspectie halverwege de jaren tachtig gescheiden van de Dierenbescherming en ondergebracht in een aparte rechtsvorm: Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming.

LNV stelde de LID bovendien een subsidie in het vooruitzicht voor het overnemen van deze overheidstaak.De subsidie van het ministerie is op dit moment 3 ton (in Euro’s). Dat is slechts een klein gedeelte van wat de inspectiedienst jaarlijks nodig heeft voor haar taken en doelen. Daarom wordt een deel van de inkomsten door de LID zelf geworven. Deze bestaan uit donaties, schenkingen en legaten. De Dierenbescherming staat op basis van haar statuten garant voor exploitatietekorten.

Van dit geld betaalt de LID een professioneel opererende organisatie. Zo is er een meldkamer waar u terecht kunt voor meldingen van dierenverwaarlozing en –mishandeling, maar ook voor klachten, vragen en suggesties. Verder heeft de LID districtsinspecteurs in dienst die het opsporings- en toezichthoudende werk in het land doen. Elke provincie heeft er één en Zuid-Holland heeft er zelfs twee. Daarnaast zijn er nog zo’n 15 regio-inspecteurs zonder bevoegdheden, die vrijwillig inspectiewerk doen voor de LID. Tot slot heeft de inspectiedienst een beleidsmedewerker, een persvoorlichter, een secretariaat en een directeur.

.
Historie